March 13, 2019

Analyse projecten

Samenvatting rapportage

Veengronden beslaan ongeveer 9% van het Nederlandse grondgebied. Het grootste gedeelte van de veengronden is in gebruik voor melkveehouderij. Deze veenbodems zijn vooral in het westen en noorden van Nederland te vinden. Het bebouwen en bedrijven van landbouw op veen brengt problemen met zich mee. Het voornaamste probleem is dat er veenbodemdaling kan optreden. Zowel is stedelijke als landelijke gebieden heeft men te maken met bodemdaling, wat per gebied verschillende gevolgen heeft.

Het belangrijkste probleem in stedelijk gebied is dat bodemdaling schade aan bebouwing, infrastructuur en de openbare ruimte veroorzaakt. De veenbodem in het stedelijk gebied zakt voornamelijk door het proces zetting. Bebouwing of infrastructuur veroorzaakt belasting van de bodem, wat het veen samendrukt met bodemdaling tot gevolg.. Dit leidt ertoe dat huizen(blokken) kunnen scheuren, huizen in elkaar kunnen zakken of dat naast de huizen de openbare ruimte en infrastructuur zoals wegen, riolering en gas- en waterleidingen zakt. Het gevolg is onbruikbare infrastructuur, door bijvoorbeeld leidingbreuk of kapotte wegen. Dit brengt hogere kosten voor overheden met zich mee.

Het landelijk gebied heeft een andere bodemdalingsproblematiek. Dit gebied wordt sinds de twaalfde eeuw georganiseerd bemalen om het land in productie te krijgen en te houden. Niet-ontwaterd veen levert te weinig draagkracht voor de steeds grotere machines en zwaardere koeien. Bovendien houden gewassen zoals tarwe, aardappels en maïs niet van natte voeten, wat ertoe leidt dat er in deze gebieden alleen gras verbouwd kan worden. Hierdoor is de melkveehouderij de dominante vorm van landbouw in het gebied. Het ontwateren van veengebieden maakt het mogelijk het gebied te gebruiken, maar brengt ook nieuwe problemen met zich mee. Veenoxidatie en -inklinking spelen op zodra het veen wordt ontwaterd. Door deze processen daalt het maaiveld van de veenweidegebieden, waardoor het grondwaterpeil hoger komt te liggen relatief aan het maaiveld. Het peil wordt daarna weer verlaagd om de benodigde drooglegging te krijgen voor het landgebruik, wat bodemdaling weer in de hand werkt. De vicieuze cirkel van ontwatering en bodemdaling gaat al een lange tijd door in Nederland en leidt tot gemiddeld 1 cm bodemdaling per jaar. Door veenoxidatie komen er broeikasgassen, zoals CO2 en lachgas (N2O), vrij.

De steeds lager liggende polders zorgen ook voor problemen rondom watermanagement. Bemalingskosten stijgen, mede door de toename van het aantal peilvakken, verminderde waterkwaliteit en de toename van kwel. Door drukverschillen tussen hoger gelegen (natuur)gebieden en de lagergelegen veenpolders ontstaat wegzijging en verdroging in het hogere gebied en kwel in de polder. De grondwaterdruk kan zo hoog worden dat de deklaag bezwijkt en grondwater naar het oppervlak dringt; een proces dat ook wel bodemopbarsting wordt genoemd.

Om de negatieve gevolgen van veenbodemdaling in beeld te brengen en te remmen of te stoppen, zijn verschillende organisaties projecten gestart om inzicht te krijgen in het proces van bodemdaling, in samenhang met onder andere waterbeheer, klimaatmitigatie en -adaptatie. Deze projecten zijn (vaak) los van elkaar opgezet en spelen in op lokale problemen en kansen, waardoor de opgedane kennis over bodemdaling niet gedeeld wordt. Het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling (NKB) is in het leven geroepen om op een structurele manier kennis over bodemdaling te verbinden, te versterken en te ontwikkelen. Om kennis uit de projecten te verbinden is in 2017 een projectendatabase gemaakt. Tussen nu en de projecteninventarisatie in 2017 zijn er nieuwe projecten bijgekomen en zijn er (tussentijdse) resultaten behaald bij de al bekende projecten. In dit rapport is een analyse uitgevoerd van de projecten in de database. Daartoe is de database geactualiseerd en uitgebreid, waarmee het aantal projecten in de database is gegroeid van 48 naar 77. Naast een analyse op de betreffende projecten is ook de samenhang tussen de projecten onderzocht. In het verleden is de samenhang tussen de projecten niet onderzocht, waardoor overzicht van waar verschillende projecten op focussen ontbreekt. Door dit duidelijk te krijgen kunnen kennislacunes worden ontdekt en kunnen (toekomstige) projecten beter op elkaar aansluiten.

Op basis van de analyse uit dit rapport kan het NKB bepalen waar in de toekomst de focus van het kennisprogramma kan komen te liggen. Dit is gedaan aan de hand van het 6 m’s framework. Dit framework beschrijft zes stappen die een onderzoeksproject idealiter doorloopt: meten, mechanismen doorgronden, modelleren, MKBA, maatregelen en monitoren. Projecten worden ingedeeld aan de hand van de zes stappen binnen dit framework. Verder worden de projecten ingedeeld naar aard van problematiek (landelijk/stedelijk). Daarnaast wordt tussen 9 onderwerpen en 3 schaalniveaus gedifferentieerd. Door de projecten in te delen kan een indicatie worden gegeven over waar de huidige projecten in de database zich op richten. Als laatste zijn voor twee grote onderzoeksprogramma’s storylines gemaakt. Hierin is onderzocht welke van de 6 stappen van het framework worden doorlopen binnen een project, of waar de kennis vandaar wordt gehaald.

Uit de analyse blijkt dat er weinig projecten op de eerste vier categorieën (meten, mechanismen doorgronden, modelleren en MKBA) focussen. Het aantal projecten in de categorie monitoring is het hoogst. Voor een projectendatabase van een kennisprogramma is een hoog aantal monitoringsprojecten te verwachten, aangezien dit betekent dat de projecten bezig zijn met het meten van de effecten van maatregelen om nieuwe inzichten (wetenschappelijk) aan te kunnen tonen. Desondanks kan uit deze resultaten niet de conclusie getrokken worden dat de voorgaande stappen binnen de monitoringsprojecten niet doorlopen worden. Het kan dat afgeronde projecten, welke beperkt zijn meegenomen in de database, wel binnen deze eerste vier categorieën vallen.

De verdeling over het landelijk en stedelijk gebied laat zien dat het grootste deel van de projecten zich in het landelijk gebied afspeelt. Desondanks is de conclusie dat er meer projecten in het landelijk gebied zijn dan in het stedelijk gebied eveneens lastig hard te maken, doordat de uitkomsten samenhangen met de selectie van projecten voor de database. De projecten die in de database worden opgenomen moeten namelijk een kenniselement in zich hebben en moeten als doel hebben nieuwe kennis en inzichten te genereren middels onderzoek. In het stedelijk gebied zijn projecten weliswaar bezig met de problemen rondom veenbodemdaling, maar een aanzienlijk deel hiervan is vooral bezig met de implementatie van maatregelen en minder met kennisontwikkeling. Waar in het landelijk gebied verschillende (relatief) grote organisaties en collectieven bezig zijn met onderzoek naar het tegengaan van, en omgaan met, bodemdaling, is men in het stedelijk gebied vooral bezig met zijn eigen huis of huizenblok, en minder met het collectief aanpakken en onderzoeken van bodemdaling. Hierdoor blijft ook de aanpak vooral reactief en is er minder geld voor onderzoek of monitoring. Dit staat in contrast met de verhouding tussen de berekende kosten van bodemdaling voor het landelijk en stedelijk gebied in ‘Dalende bodems, stijgende kosten’ (Van den Born et al., 2016).

De verdeling van projecten over de negen onderwerpen laat zien dat de meeste projecten in het landelijk gebied onder het onderwerp onderwaterdrainage vallen. Onderwaterdrainage biedt een toekomstperspectief voor melkveehouderijen waarbij bodemdaling geremd wordt. Doordat deze techniek als een kansrijke oplossingsrichting voor het veenweidegebied wordt gezien, is de aandacht voor dit onderwerp groot.

Ook de aandacht voor funderingen is groot. De laatste jaren is het bewustzijn van het probleem rond funderingen gegroeid. De kosten van funderingsherstel door bodemdaling wordt door het PBL geraamd op 16 miljard (ibid.).

Het onderwerp bodembeheer heeft ook een groot aantal projecten onder zich.  Hierbij wordt gewerkt aan het door bodembeheer verbeteren van de bodemkwaliteit voor meerdere doeleinden, waarvan het verminderen van bodemdaling er een is. Een betere bodemkwaliteit levert, naast een mogelijke reductie in bodemdaling, een duurzamere en betere bodem op, wat gunstig is voor agrariërs. Onderzoek hiernaar gebeurt vooralsnog in een lab; er wordt niet gemeten aan een veldproef. Het wetenschappelijk doorrekenen van maatregelen in dit onderwerp blijkt in de praktijk moeilijk, omdat weinig wetenschappelijk inzicht aanwezig is.

Van alle projecten in de database houden de minste projecten zich bezig met het onderwerp broeikasgas. Vaak wordt het verminderen van broeikasgasemissies genoemd als een van de doelstellingen van onderzoek, maar is het niet de focus van het onderzoek. De actuele aandacht voor broeikasgasemissies uit het veenweidegebied heeft voor meer politieke aandacht gezorgd rondom veenbodemdaling, en daardoor is er een grotere behoefte aan het beantwoorden van vragen hierover. Dat leidt ertoe dat broeikasgasemissies vaak worden meegenomen naast andere doelstellingen. Doordat broeikasgasemissies uit het landelijk gebied komen, komt de toegenomen aandacht en financiering die hieruit volgt ook alleen de landelijke projecten ten goede. De toegenomen aandacht is gunstig, maar kan ook zorgen voor te snelle beslissingen wanneer er onvoldoende kennis. Ondanks de goede initiatieven die zijn ontwikkeld is er bijvoorbeeld nog veel onbekend over emissiereductie van verschillende maatregelen. Door het gestructureerd meten over het hele land kan een gat in ons begrip worden gedicht worden.

De verdeling over de schaalniveaus laat zien dat het grootste deel van de projecten zich op lokale schaal afspeelt. Hiervan richt het merendeel zich op monitoring, waarbij de onderwerpen onderwaterdrainage, natte teelten, infrastructuur en duurzaam beheer domineren. Monitoring is vaak kostbaar en gelimiteerd tot kleine oppervlakken om de complexiteit en financiën beheersbaar te houden. Daarnaast zijn projecten op lokale schaal makkelijker en sneller te realiseren: het kan vaak binnen een politieke ambtstermijn. Binnen de database zijn minder projecten op de hogere schaalniveaus aanwezig, waarbij het nationaal schaalniveau het minst voorkomt.

Download hier de hele rapportage.